|
|
|---|---|
|
|
![]() |
HOOFDSTUK ZESTIEN śrī-bhagavān uvāca
abhayaḿ sattva-saḿśuddhir jñāna-yoga-vyavasthitiḥ
dānaḿ damaś ca yajñaś ca svādhyāyas tapa ārjavam
dayā bhūteṣv aloluptvaḿ mārdavaḿ hrīr acāpalam
tejaḥ kṣamā dhṛtiḥ śaucam adroho nātimānitā
bhavanti saḿpadaḿ daivīm abhijātasya bhārata
De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zei: Onbevreesdheid; het zuiveren van je bestaan; het cultiveren van spirituele kennis; vrijgevigheid; zelfbeheersing; het brengen van offers; het bestuderen van de veda’s; het beoefenen van ascese; eenvoud; geweldloosheid; waarheidlievendheid; vrij zijn van woede; onthechting; kalmte; afkeer van onnodig kritiseren; mededogen voor alle levende wezens; vrij zijn van hebzucht; vriendelijkheid; bescheidenheid; vastberadenheid; vitaliteit; vergevensgezindheid; standvastigheid; reinheid en vrij zijn van vijandigheid en eerzucht—deze transcendentale eigenschappen, o afstammeling van Bharata, treft men aan bij goddelijke mensen begiftigd met een spirituele aard. dambho darpo’timānaś ca krodhaḥ pāruṣyam eva ca
ajñānaḿ cābhijātasya pārtha saḿpadam āsurīm
Trots, arrogantie, eigenwaan, woede, ruwheid en onwetendheid—dit zijn de eigenschappen van degenen met een demonische aard, o zoon van Pṛthā.. daivī saḿpad vimokṣāya nibandhāyāsurī matā
mā śucaḥ saḿpadaḿ daivīm abhijāto’si pāṇḍava
De transcendentale eigenschappen zijn bevorderlijk voor bevrijding, terwijl de demonische eigenschappen tot gebondenheid leiden. Maak je geen zorgen, o zoon van Pāṇḍu, want jij bent geboren met de goddelijke eigenschappen.. dvau bhūta-sargau loke’smin daiva āsura eva ca
daivo vistaraśaḥ prokta āsuraḿ pārtha me śṛṇu
O zoon van Pṛthā, in deze wereld zijn er twee soorten geschapen wezens. De ene soort wordt goddelijk genoemd en de andere demonisch. Ik heb je al uitvoerig uitgelegd wat de goddelijke eigenschappen zijn. Hoor nu van Mij over de demonische. pravṛttiḿ ca nivṛttiḿ ca janā na vidur āsurāḥ
na śaucaḿ nāpi cācāro na satyaḿ teṣu vidyate
Zij die demonisch zijn, weten niet wat wel en wat niet gedaan moet worden. Ze zijn onrein en goed gedrag of waarheidlievendheid zijn in hen niet aan te treffen. asatyam apratiṣṭhaḿ te jagad āhur anīśvaram
aparaspara-saḿbhūtaḿ kim anyat kāma-haitukam
Ze zeggen dat deze wereld onwerkelijk is, geen fundament heeft en dat er geen God is die hem bestuurt. Ze zeggen dat de wereld voortkomt uit seksueel verlangen en geen andere oorzaak heeft dan lust. etāḿ dṛṣṭim avaṣṭabhya naṣṭātmāno’lpa-buddhayaḥ
prabhavanty ugra-karmāṇaḥ kṣayāya jagato’hitāḥ
Overtuigd van zulke opvattingen wijden de demonen, die zichzelf verloren hebben en geen intelligentie bezitten, zich aan rampzalige, gruwelijke werken, die bedoeld zijn om de wereld te vernietigen. kāmam āśritya duṣpūraḿ dambha-māna-madānvitāḥ
mohād gṛhītvāsad-grāhān pravartante’śucivratāḥ
Door hun toevlucht te nemen tot onverzadigbare lust en vervuld te zijn van verwaandheid, trots en hoogmoed, houden de demonen, die op die manier in illusie zijn, zich altijd bezig met onzuivere activiteiten, omdat ze aangetrokken zijn tot het tijdelijke. cintām aparimeyāḿ ca pralayāntām upāśritāḥ
kāmopabhoga-paramā etāvad iti niścitāḥ
āśā-pāśa-śatair baddhāḥ kāma-krodha-parāyaṇāḥ
īhante kāma-bhogārtham anyāyenārtha-saḿcayān
Ze zijn ervan overtuigd dat het bevredigen van de zintuigen het voornaamste doel van de menselijke beschaving is. Zo ervaren ze tot aan het einde van hun leven enorme angst en bezorgdheid. Verstrikt in een net van honderdduizenden verlangens en vervuld van lust en woede, proberen ze op onwettige wijze rijkdom te bemachtigen voor hun zinsbevrediging. idam adya mayā labdham idaḿ prāpsye manoratham
idam astīdam api me bhaviṣyati punar dhanam
asau mayā hataḥ śatrur haniṣye cāparān api
īśvaro’ham ahaḿ bhogī siddho’haḿ balavān sukhī
āḍhyo’bhijanavān asmi ko’nyo’sti sadṛśo mayā
yakṣye dāsyāmi modiṣya ity ajñāna-vimohitāḥ
Een demonisch persoon denkt: ‘Vandaag is dit mijn rijkdom, maar door mijn sluwe plannen zal ik meer bemachtigen. Zoveel heb ik nu, maar dat zal in de toekomst meer worden, en meer. Hij is mijn vijand, maar ik heb hem gedood en al mijn andere vijanden zullen ook gedood worden. Ik ben heer van alles. Ik ben de genieter. Ik ben volmaakt, machtig en gelukkig. Ik ben de rijkste man, omringd door aristocratische familieleden. Niemand is zo machtig en gelukkig als ik. Ik zal offers brengen, ik zal schenkingen doen en zo zal ik genieten.’ Op die manier worden zulke personen misleid door onwetendheid. aneka-citta-vibhrāntā moha-jāla-samāvṛtāḥ
prasaktāḥ kāma-bhogeṣu patanti narake’śucau
Zo door talloze angsten verbijsterd en verstrikt in een netwerk van illusies, raken ze te sterk gehecht aan zinsbevrediging en zakken ze af naar de hel. ātma-saḿbhāvitāḥ stabdhā dhana-māna-madānvitāḥ
yajante nāma-yajñais te dambhenāvidhi-pūrvakam
Zelfingenomen als ze zijn en altijd onbeschaamd, misleid door rijkdom en hoogmoed, brengen ze soms vol trots offers. Maar die offers zijn alleen iets in naam, omdat ze worden gebracht zonder de regels en bepalingen te volgen. ahaḿkāraḿ balaḿ darpaḿ kāmaḿ krodhaḿ ca saḿśritāḥ
mām ātma-para-deheṣu pradviṣanto’bhyasūyakāḥ
Verward als ze zijn door hun vals ego, kracht, trots, lust en woede, staan de demonen vijandig tegenover de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die Zich zowel in hun eigen lichaam als in dat van anderen bevindt, en belasteren ze de ware religie. tān ahaḿ dviṣataḥ krūrān saḿsāreṣu narādhamān
kṣipāmy ajasram aśubhān āsurīṣv eva yoniṣu
Zij die haatdragend en wreed zijn, de laagsten onder de mensen, werp Ik onophoudelijk in de oceaan van het materiele bestaan, in allerlei demonische levensvormen. āsurīḿ yonim āpannā mūḍhā janmani janmani
mām aprāpyaiva kaunteya tato yānty adhamāḿ gatim
Omdat ze herhaaldelijk in demonische levensvormen geboren worden, o zoon van Kunté, kunnen zulke personen Me nooit benaderen. Geleidelijk aan dalen ze af tot het meest verachtelijke bestaan. tri-vidhaḿ narakasyedaḿ dvāraḿ nāśanam ātmanaḥ
kāmaḥ krodhas tathā lobhas tasmād etat trayaḿ tyajet
Er zijn drie poorten die tot deze hel leiden: lust, woede en hebzucht. Ieder verstandig mens moet deze drie opgeven, omdat ze tot de degradatie van de ziel leiden. etair vimuktaḥ kaunteya tamo-dvārais tribhir naraḥ
ācaraty ātmanaḥ śreyas tato yāti parāḿ gatim
Wie aan deze drie poorten van de hel ontkomen is, o zoon van Kunté, verricht activiteiten die bevorderlijk zijn voor zelfrealisatie; zo bereikt hij geleidelijk aan de allerhoogste bestemming. yaḥ śāstra-vidhim utsṛjya vartate kāma-kārataḥ
na sa siddhim avāpnoti na sukhaḿ na parāḿ gatim
Hij die de bepalingen van de geschriften verwerpt en vanuit zijn eigen verlangens handelt, wordt niet gelukkig en bereikt noch de volmaaktheid, noch de allerhoogste bestemming.
tasmāc chāstraḿ pramāṇaḿ te kāryākārya-vyavasthitau
jñātvā śāstra-vidhānoktaḿ karma kartum ihārhasi
Men moet daarom begrijpen wat volgens de regels in de geschriften wel en wat niet iemands plicht is. Wanneer men deze regels en bepalingen kent, moet men op zo’n manier handelen dat men geleidelijk aan verheven wordt.
|
![]() |
|