|
|
|---|---|
|
|
![]() |
HOOFDSTUK DERTIEN arjuna uvāca
prakṛtiḿ puruṣaḿ caiva kṣetraḿ kṣetra-jñam eva ca
etad veditum icchāmi jñānaḿ jñeyaḿ ca keśava
śrī-bhagavān uvāca
idaḿ śarīraḿ kaunteya kṣetram ity abhidhīyate
etad yo vetti taḿ prāhuḥ kṣetrajña iti tadvidaḥ
Arjuna zei: O dierbare Kṛṣṇa, ik verlang ernaar te horen over prakåti [de materiele natuur] en puruña [de genieter], over het veld en de kenner van het veld, en over kennis en het kenbare. kṣetrajñaḿ cāpi māḿ viddhi sarva-kṣetreṣu bhārata
kṣetra-kṣetrajñayor jñānaḿ yat taj jñānaḿ mataḿ mama
O afstammeling van Bharata, weet dat ook Ik de kenner ben, maar dan van alle lichamen, en dat het begrijpen van dit lichaam en de kenner ervan kennis wordt genoemd. Dat is Mijn mening. tat kṣetraḿ yac ca yādṛk ca yad-vikāri yataś ca yat
sa ca yo yat-prabhāvaś ca tat samāsena me śṛṇu
Luister nu alsjeblieft naar Mijn korte beschrijving van dit veld van activiteit en hoe het is samengesteld, welke veranderingen het ondergaat, waar het vandaan komt, wie die kenner van het veld van activiteiten is en welke invloed hij op het veld uitoefent. ṛṣibhir bahudhā gītaḿ chandobhir vividhaiḥ pṛthak
brahma-sūtra-padaiś caiva hetumadbhir viniścitaiḥ
mahā-bhūtāny ahaḿkāro buddhir avyaktam eva ca
indriyāṇi daśaikaḿ ca pañca cendriya-gocarāḥ
icchā dveṣaḥ sukhaḿ duḥkhaḿ saḿghātaś cetanā dhṛtiḥ
etat kṣetraḿ samāsena sa-vikāram udāhṛtam
De vijf grofstoffelijke elementen; het vals ego; de intelligentie; het ongemanifesteerde; de tien zintuigen en de geest; de vijf zinsobjecten; begeerte; haat; geluk; ellende; het samenstel [het lichaam]; de levensverschijnselen en overtuigingen—samengevat wordt dit alles beschouwd als het veld van activiteiten en de wisselwerkingen ervan. amānitvam adambhitvam ahiḿsā kṣāntir ārjavam
ācāryopāsanaḿ śaucaḿ sthairyam ātma-vinigrahaḥ
indriyārtheṣu vairāgyam anahaḿkāra eva ca
janma-mṛtyu-jarā-vyādhi-duḥkha-doṣānudarśanam
asaktir anabhiṣvańgaḥ putra-dāra-gṛhādiṣu
nityaḿ ca sama-cittatvam iṣṭāniṣṭopapattiṣu
mayi cānanya-yogena bhaktir avyabhicāriṇī
vivikta-deśa-sevitvam aratir jana-saḿsadi
adhyātma-jñāna-nityatvaḿ tattva-jñānārtha-darśanam
etaj jñānam iti proktam ajñānaḿ yad ato’nyathā
Nederigheid; bescheidenheid; geweldloosheid; verdraagzaamheid; eenvoud; het benaderen van een bonafide spiritueel leraar; reinheid; standvastigheid; zelfbeheersing; onthechting van objecten van zinsbevrediging; afwezigheid van vals ego; het inzicht dat geboorte, dood, ouderdom en ziekte bronnen van ellende zijn; onthechting; vrijheid van verstrikking met kinderen, vrouw, huis en de rest; gelijkmoedigheid zowel tijdens aangename als onaangename gebeurtenissen; voortdurende en onvermengde devotie voor Mij; ernaar streven om in een afgezonderde plaats te wonen; terughoudendheid ten opzichte van gewone mensen; het aanvaarden van het belang van zelfrealisatie en filosofisch zoeken naar de Absolute Waarheid—dit alles noem Ik kennis en alles daarbuiten is onwetendheid. jñeyaḿ yat tat pravakṣyāmi yaj jñātvāmṛtam aśnute
anādimat paraḿ brahma na sat tan nāsad ucyate
Ik zal je nu het kenbare uitleggen en wanneer je dat eenmaal kent, zul je het eeuwige ervaren. Brahman, dat spiritueel is, zonder begin en ondergeschikt aan Mij, is ontstegen aan de oorzaak en gevolg van de materiele wereld. sarvataḥ pāṇi-pādaḿ tat sarvato’kṣi-śiro-mukham
sarvataḥ śrutimal loke sarvam āvṛtya tiṣṭhati
sarvendriya-guṇābhāsaḿ sarvendriya-vivarjitam
asaktaḿ sarva-bhṛc caiva nirguṇaḿ guṇa-bhoktṛ ca
De Superziel is de oorsprong van alle zintuigen, maar toch heeft Hij Zelf geen zintuigen. Hij is onthecht, ook al is Hij de instandhouder van alle levende wezens. Hij is ontstegen aan de drie hoedanigheden van de materiele natuur, maar tegelijkertijd is Hij de meester van alle hoedanigheden van de materiele natuur. bahir antaś ca bhūtānām acaraḿ caram eva ca
sūkṣmatvāt tad avijñeyaḿ dūra-sthaḿ cāntike ca tat
De Allerhoogste Waarheid bestaat binnen en buiten alle levende wezens, zowel de bewegende als de niet-bewegende. Omdat Hij subtiel is, kan Hij niet gekend of waargenomen worden door de materiele zintuigen. En hoewel Hij ver, ver weg is, is Hij ook dicht bij iedereen. avibhaktaḿ ca bhūteṣu vibhaktam iva ca sthitam
bhūta-bhartṛ ca taj jñeyaḿ grasiṣṇu prabhaviṣṇu ca
Hoewel de Superziel verdeeld lijkt te zijn over alle levende wezens, is Hij nooit verdeeld. Hij blijft een en dezelfde. Hoewel Hij de instandhouder van alle levende wezens is, verslindt Hij ze en doet ze ook allemaal ontstaan. jyotiṣām api taj jyotis tamasaḥ param ucyate
jñānaḿ jñeyaḿ jñāna-gamyaḿ hṛdi sarvasya viṣṭhitam
Hij is de bron van licht in alle lichtgevende voorwerpen. Hij is ontstegen aan de duisternis van de materie en is onzichtbaar. Hij is kennis, het kenbare en het doel van kennis. Hij bevindt Zich in het hart van iedereen.
iti kṣetraḿ tathā jñānaḿ jñeyaḿ coktaḿ samāsataḥ
mad-bhakta etad vijñāya mad-bhāvāyopapadyate
Zo heb Ik dan een korte beschrijving gegeven van het veld van activiteiten [het lichaam], van kennis en van het kenbare. Alleen Mijn toegewijden kunnen dit volledig begrijpen en bereiken zo Mijn zijnstoestand. prakṛtiḿ puruṣaḿ caiva viddhy anādī ubhāv api
vikārāḿś ca guṇāḿś caiva viddhi prakṛti-saḿbhavān
Weet dat de materiele natuur en de levende wezens geen begin hebben. Hun transformaties en de hoedanigheden van de materie zijn voortbrengselen van de materiele natuur. kārya-kāraṇa-kartṛtve hetuḥ prakṛtir ucyate
puruṣaḥ sukha-duḥkhānāḿ bhoktṛtve hetur ucyate
De materiele natuur wordt de oorzaak van alle materiele oorzaken en gevolgen genoemd, terwijl het levend wezen de oorzaak is van verschillende vormen van leed en genot in deze wereld. puruṣaḥ prakṛti-stho hi bhuńkte prakṛtijān guṇān
kāraṇaḿ guṇa-sańgo’sya sad-asad-yoni-janmasu
Zo gaat het levend wezen in de materiele wereld door het leven, genietend van de drie hoedanigheden van de materiele natuur. En door zijn contact met die materiele natuur ervaart het goed en kwaad in verschillende levensvormen. upadraṣṭānumantā ca bhartā bhoktā maheśvaraḥ
paramātmeti cāpy ukto dehe’smin puruṣaḥ paraḥ
Maar in dit lichaam is ook een andere, een transcendentale genieter aanwezig, namelijk de Heer, die de allerhoogste eigenaar is, de getuige en degene die toestemming geeft en die bekendstaat als de Superziel. ya evaḿ vetti puruṣaḿ prakṛtiḿ ca guṇaiḥ saha
sarvathā vartamāno’pi na sa bhūyo’bhijāyate
Degene die deze filosofie over de materiele natuur, het levend wezen en de wisselwerkingen van de hoedanigheden van de materiele natuur begrijpt, zal zeker bevrijd worden. Ongeacht zijn huidige situatie zal hij hier niet opnieuw geboren worden. dhyānenātmani paśyanti ke cid ātmānam ātmanā
anye sāḿkhyena yogena karma-yogena cāpare
Sommigen zien de Superziel in hun hart door middel van meditatie, anderen door het cultiveren van kennis en weer anderen door te handelen zonder zelfzuchtige verlangens. anye tv evam ajānantaḥ śrutvānyebhya upāsate
te’pi cātitaranty eva mṛtyuḿ śruti-parāyaṇāḥ
En dan zijn er nog degenen die, hoewel ze geen spirituele kennis hebben, de Allerhoogste Persoon beginnen te vereren wanneer ze over Hem horen van anderen. Door hun neiging om naar gezaghebbende personen te luisteren, ontstijgen ook zij aan het pad van geboorte en dood. yāvat saḿjāyate kiḿcit sattvaḿ sthāvara-jańgamam
kṣetra-kṣetrajña-saḿyogāt tad viddhi bharatarṣabha
O beste onder de Bhärata’s, alles wat om je heen bestaat, zowel het beweeglijke als het onbeweeglijke, is niet meer dan een combinatie van het veld van activiteiten en de kenner van het veld. samaḿ sarveṣu bhūteṣu tiṣṭhantaḿ parameśvaram
vinaśyatsv avinaśyantaḿ yaḥ paśyati sa paśyati
Wie ziet dat de Superziel de individuele ziel in ieder lichaam vergezelt en begrijpt dat zowel de ziel als de Superziel nooit vernietigd worden in het vernietigbare lichaam, ziet de dingen zoals ze zijn. samaḿ paśyan hi sarvatra samavasthitam īśvaram
na hinasty ātmanātmānaḿ tato yāti parāḿ gatim
Wie de Superziel overal, in ieder levend wezen, aanwezig ziet, zal zichzelf niet verlagen door zijn geest. Op die manier nadert hij de transcendentale bestemming. prakṛtyaiva ca karmāṇi kriyamāṇāni sarvaśaḥ
yaḥ paśyati tathātmānam akartāraḿ sa paśyati
Wie ziet dat alle activiteiten verricht worden door het lichaam, dat geschapen is door de materiele natuur, en ziet dat de ziel zelf niets doet, ziet de dingen zoals ze zijn. yadā bhūta-pṛthag-bhāvam ekastham anupaśyati
tata eva ca vistāraḿ brahma saḿpadyate tadā
Wanneer een verstandig persoon niet langer verschillende identiteiten ziet op grond van verschillende materiele lichamen en hij ziet hoe levende wezens overal verspreid zijn, dan komt hij tot Brahman-realisatie. anāditvān nirguṇatvāt paramātmāyam avyayaḥ
śarīra-stho’pi kaunteya na karoti na lipyate
Degenen met de visie der eeuwigheid, kunnen zien dat de onvergankelijke ziel transcendentaal is en eeuwig en dat ze ontstegen is aan de hoedanigheden van de materiele natuur. Ondanks haar contact met het materiele lichaam, o Arjuna, doet de ziel niets en raakt ze nooit verstrikt. yathā sarva-gataḿ saukṣmyād ākāśaḿ nopalipyate
sarvatrāvasthito dehe tathātmā nopalipyate
Omdat de ether zo subtiel van aard is, mengt hij zich nergens mee, hoewel hij overal aanwezig is. Op dezelfde manier mengt een ziel die alles vanuit het oogpunt van Brahman bekijkt, zich niet met het lichaam, hoewel ze in dat lichaam aanwezig is. yathā prakāśayaty ekaḥ kṛtsnaḿ lokam imaḿ raviḥ
kṣetraḿ kṣetrī tathā kṛtsnaḿ prakāśayati bhārata
O afstammeling van Bharata, zoals een zon dit hele universum verlicht, zo verlicht het ene levend wezen het hele lichaam met bewustzijn. kṣetra-kṣetrajñayor evam antaraḿ jñāna-cakṣuṣā
bhūta-prakṛti-mokṣaḿ ca ye vidur yānti te param
Zij die met ogen van kennis het verschil zien tussen het lichaam en de kenner van het lichaam, en die ook het proces van bevrijding uit de gebondenheid in de materiele natuur kunnen begrijpen, bereiken de allerhoogste bestemming. End of chapter 13 HOOFDSTUK DERTIEN
|
![]() |
|